In naam van mijn vader
Martin Bosma ziet de essentie over het hoofd.
In zijn column van afgelopen woensdag bespreekt Martin Bosma het artikel ‘Een-partijstaat Nederland’ dat mijn onlangs overleden vader in 1990 schreef. Het staat iedereen vrij om welk geschrift ook naar eigen inzicht en vermogen te interpreteren, maar toen ik Bosma’s column las, dacht ik toch: het lijk is nog niet koud of ze gaan er al met het tafelzilver vandoor.
In zijn stuk, dat indertijd de nodige ophef veroorzaakte, signaleert mijn vader, de Rotterdamse hoogleraar moderne geschiedenis J.W. Oerlemans, hoe politieke partijen hun identiteit verliezen als gevolg van een gebrek aan ondubbelzinnige beginselen. Hierdoor verworden politici volgens hem tot personen die louter uit persoonlijke motieven handelen, zonder dat er sprake is van enige ideologische gedrevenheid. Hij verweet politici dat ze hun eigen carrière boven hun feitelijke taak als volksvertegenwoordiger stellen. Hij nam het bovendien de partijen kwalijk dat men onderling vaak de consensus al bereikt had, nog voordat men aan de publieke discussie begon. Hierdoor was er volgens hem sprake van een politieke oligarchie. Bosma heeft gelijk wanneer hij stelt dat het stuk voeding heeft gegeven aan het gedachtegoed van Pim Fortuyn en zijn volgelingen. Maar het artikel is net zo inspirerend geweest voor socialisten en anarchisten. Begrijpelijk: het was in al zijn helderheid een stok om vele honden mee te slaan.
Een belangrijk detail van het stuk is dat het begrip ‘volksvertegenwoordiger’ er nog eens in gedefinieerd wordt. Een volksvertegenwoordiger dient in de eerste plaats het volk – en zijn dienstbaarheid hoort gebaseerd te zijn op onwrikbare ideologische overtuigingen. Oerlemans schetste ook wat je krijgt als aan die twee voorwaarden niet voldaan wordt: iemand die met narcistische willekeur dwaasheden verzint en spilzieke plannen opzet waar geen burger om heeft gevraagd. Graag zal hij zich overgeven aan de mode van de dag omdat daaraan de minste risico's zijn verbonden en zijn ijdelheid daarmee het meest is gebaat. Zijn eerste zorg is immers zichzelf te 'profileren', onverschillig of hij met zijn plannen verwarring sticht, ongeacht of zijn beleid chaotische gevolgen heeft.
Profetische regels: men kan er met weinig moeite zowel Bosma als Wilders in herkennen. We kunnen immers vaststellen dat het volk niet gebaat is bij de even krankzinnige als nutteloze theorie dat de profeet Mohammed aan een hersenziekte leed. Meer in het algemeen zit de burger niet te wachten op de geforceerde onderbouwing van het dogma dat er wat schort aan een wereldgodsdienst, of op de particuliere stelling van Bosma dat Hitler eigenlijk een rooie rakker was. Want hoe interessant deze vragen ook zijn, de burgers en de rust in het land zijn er niet mee gediend. Ten faveure van Wilders en Bosma moet ik zeggen dat meer politici zich schuldig maken aan dwaasheden, maar niemand maakt het zo bont als zij. En niemand van hen verzaakt zijn plicht als volksvertegenwoordiger op een vergelijkbaar groteske wijze.
In de drie jaar dat hij in een Bredaas verzorgingstehuis woonde, werd mijn vader zeer tot zijn genoegen liefdevol verpleegd door vrome moslimas. Een aantal van hun autochtone collega’s stemde PVV. Die keuze was hen niet ingegeven door ontevredenheid, maar door hoop; Wilders had hen immers beloofd dat hij er alles aan zou doen om het lot van hulpbehoevende ouderen en hun verzorgers te verbeteren. Dat waren mooie woorden, zo voor de verkiezingen. Intussen verliezen zowel Wilders als Bosma zich al weer tijden in ijdelheid en doen ze geen enkele poging om hun heilige belofte gestand te doen. Dat schijnt te mogen in een democratie; het is alleen de vraag wat die democratie er mee opschiet.
Het is waar dat er met de komst van Fortuyn en vervolgens met die van Wilders een einde is gekomen aan de politieke oligarchie in Nederland; zelden was het gebrek aan consensus groter. Maar het is bepaald niet zo dat hierdoor het politieke klimaat is verbeterd of dat politici zich nu met meer verantwoordelijkheidsgevoel van hun taak kwijten. Bosma lijkt de strekking van het stuk van mijn vader te hebben begrepen en wat mij betreft mag hij het ingelijst boven zijn bed hangen, maar de essentie ervan is hem ontgaan: De democratische politicus wordt geacht juist in de eerste plaats de maatschappelijke belangen, zo niet het levensgeluk van anderen te behartigen. Misschien kan Martin Bosma die regels onderstrepen en ze voor het slapengaan zacht voor zich uit prevelen.
Rik Oerlemans, Breda